Paardenrennen is snel, continue spectaculair en zit altijd vol verrassingen. Het is voor velen de meest geliefde vorm van paardensport. Maar er zijn daarnaast nog heel veel andere disciplines die zeker de moeite waard zijn om eens te bekijken. Dit is bijvoorbeeld het paardenspringen, wat al tijden een Olympische Sport is en tevens voor veel spektakel zorgt. De combinatie van het zo snel mogelijk afleggen van een parcours zonder daarin fouten te maken zorgt voor een altijd boeiende wedstrijd. Hieronder kun je meer lezen over paarden springen en wat hier allemaal bij komt kijken.

Paarden springen is dus een Olympisch onderdeel, net als twee andere takken van de paardensport dit zijn. Voor de kijker is dit misschien wel de leukste om te zien. Bij de dressuur bijvoorbeeld zullen de meeste mensen zonder verstand van de sport wat meer kennis van zaken nodig hebben om het onderdeel interessant te kunnen vinden. Het oogt dus een stuk saaier voor de kijker die niet direct wat van de sport af weet. Dit is heel anders bij het springen waar over het algemeen meer gebeurd.

Hoe gaat springen in zijn werk?

Het is vrij simpel uit te leggen hoe springen in de praktijk werkt. Het gaat er simpelweg om dat paard en ruiter zo snel mogelijk een parcours met bepaalde hordes en hindernissen afleggen en dit beter doen dan de rest van het deelnemersveld. Er is ook nog een jury in het spel die kan beslissen over hoe zwaar de eventuele fouten uiteindelijk gewogen worden.

Het is zeker niet makkelijk om springen als ruiter te leren. Hiervoor is een hele goede basistechniek nodig. Een ruiter leert dan ook eerst om zo goed mogelijk te rijden voordat er ook maar aan springen gedacht kan worden. Wanneer het rijden echter volledig onder de knie is en men een ruiter goed genoeg vindt kan het echte werk eindelijk gaan beginnen.

Paarden springen op de Olympische spelen

Springen in een van de sporten die al ontzettend lang in Olympisch opzicht uitgeoefend wordt. De allereerste keer dat het onderdeel afgewerkt werd was reeds op de spelen van 1900 die gehouden werden in de Franse hoofdstad Parijs. Daarna schitterde het onderdeel bij de twee spelen die daarop volgden wel twee keer door afwezigheid. Vanaf de Olympische Spelen in 1912 die in Stockholm werden gehouden was het springen echter weer terug en dit is tot op heden zo gebleven. Dit onderdeel wordt niet alleen door individuele ruiters afgelegd maar ook met landenteams.

Het duurde maar liefst tot 1952 voordat er voor het eerst vrouwen mee mochten doen aan deze discipline op de Olympische Spelen en gelukkig is dat tot op heden zo gebleven. Het leuke aan de teamonderdelen is dat hierbij zowel mannen als vrouwen ingezet kunnen worden en het niet direct uitmaakt hoeveel mannen of vrouwen een team gebruikt. Dit is bij andere sporten zeker niet gebruikelijk maar bij het springen absoluut geen probleem.

De Europese landen zijn steevast bepalend in het springen. Wanneer we kijken naar de landen die over alle Olympische spelen de meeste medailles gewonnen hebben zijn dit vooral de Europese landen. Zo zien we dat de top drie gevormd wordt door Frankrijk, Duitsland en Zweden. De top 8 wordt vervolgens gevormt door alleen maar Europese landen op alleen de Verenigde Staten wat op een vierde plaats staat na.